AlgemeenReguliere ziekenhuiszorg

Vanuit bezet gebied

Maandagochtend 4 oktober 2020

Met een zwaar gevoel fiets ik deze dag naar mijn werk door de Overijsselse landerijen. Ik fiets naar het ziekenhuis waar ik nu zo’n zeven jaar met heel veel plezier werk. Ik memoreer over mijn werk en hoe vaak ik gezegd heb dat ik het mooiste beroep heb wat er bestaat. Het afgelopen half jaar heb ik nóg meer van mijn werk gehouden dan daarvoor.Ja, ik beken, het werd soms een soort vlucht. Vluchten van een samenleving waarin langzaam maar heel zelfverzekerd het uit-de-klei-getrokken-hollandse-boeren-verstand werd vervangen door een groot zwart monster genaamd angst en ik mij opeens in bezet gebied bevond.

Maar dan kwam ik in ziekenhuisland en daar waren mijn collega’s die geduldig naar mijn relaas luisterden, om vervolgens te doen wat we altijd deden. Patiënten gastvrij ontvangen, zo goed mogelijk verzorgen en ondertussen veel lachen. Een plek waar aanraking en nabijheid juist heel gewenst was. Waar 1,5 meter even niet bestond en mensen juist heel graag je hand vastpakken om in te knijpen wanneer ze pijn hadden of angstig wakker werden uit de narcose.

Dankuwel, mevrouw patiënt, voor de dankbare blik in uw ogen nadat mijn hand was fijngeknepen. Het was een pleister op mijn wond die de dag daarvoor weer open was gebarsten. Toen dat mooie meisje wat langs mij had moeten rennen van plezier, aarzelend naast de lantarenpaal bleef staan toen ik passeerde, omdat ze anders niet genoeg afstand kon houden.

Dankuwel, meneer patiënt, dat toen u angstig zweefde tussen anesthesie en aarde, uit natuurlijke reactie op zoek was naar een hand voor aanraking. Zonder het besef van maatregelen vanuit bezet gebied.  U bewees hier weer aan mij dat dit het enige normaal is.

Maar nu dat licht misselijkmakende gevoel. Straks als ik mijn fiets heb neergezet en ik door de deur van het ziekenhuis loop, is alles anders. Ik loop met een blote mond door de gangen en denk aan de woorden van mijn dochter van 8: ‘Mamma, de mensen lijken wel betoverd door corona’.

Ik kijk rond en zie halve gezichten, met blauwe en witte maskers. Misschien hier en daar een tijgerprintje om de boel nog wat op te fleuren. Patiënten, bezoekers, vrijwilligers en helaas ook personeel frunniken aan hun niet-werkende, potentieel gecontamineerde masker en verhogen hiermee het risico op infectie. Mijn dochter heeft meer waarheid gesproken dan ze zelf beseft.

Ik zie voor me hoe patiënten hun eigen afvalstoffen weer inademen en vraag me af als meedenkende zuster of het misschien een goed idee is om een opdracht te laten opnemen in het opnameprotocol, om elke drie uur een bloedgasanalyse uit te voeren, te meer omdat er geruchten gaan dat er in Duitsland twee kinderen overleden zijn aan een te hoog CO2, na het heel lang dragen van een mondkapje. Maar dat zullen we nooit zeker weten, omdat het tegenwoordig niet meer duidelijk is wie wel de waarheid spreekt en wie niet.

Om me heen merk ik dat de heersende opvatting is, dat we hier even doorheen moeten. Ik deel die niet. Ik heb een beeld voor ogen dat de nieuwe generatie geen poppetjes tekent met rode lachende monden, maar halve gezichten en een groot blauw vierkant.

Ilse Mol

0Shares
0